Mense en Arjen zijn het roerend eens

Mense Toering zag de vier- en vijfjarigen vrijdag voor de vierde keer, maar voor co-jurylid Arjen Vos waren de jonge paarden allemaal nieuw. “Met name de vijfjarigen vond ik extreem goed’, verklaart hij na afloop va de wedstrijd.

v.l.n.r: Mense Toering, Arjen Vos, Karin Bentum, Albert Zoer.

v.l.n.r: Mense Toering, Arjen Vos, Karin Bentum, Albert Zoer.

“De punten lagen veel te dicht bij elkaar, maar dat kwam omdat er steeds weer hele beste paarden bij kwamen en die moesten er weer tussen. Ook bij de vierjaren waren veel fijne paarden en ik vind dat ze supernetjes voorgesteld zijn”, aldus de gast-jury. Mense Toering stelt vast dat de deelnemende paarden zich tijdens de competitie al duidelijk ontwikkeld hebben. “Er zit maar een weekje tussen Zuidwolde en Nieuwleusen, maar toch zie ik dat de paarden alweer constanter, losser en gemakkelijker te rijden zijn dan tijdens de vorige wedstrijd”, zegt hij. Hij voegt daaraan toe: “Ik denk dat de ruiters ook meer ontspannen zijn”.

In de commentaren die de heren tijdens de wedstrijd na afloop van elke rit gaven, viel nogal eens de opmerking: ‘Hij is nog wat strak in het lijf’. Is dat iets wat rijtechnisch op te lossen valt? Arjen: “Het is heel simpel: Alles wat ze van nature goed doen hoef je ze niet meer te leren. Spanning kan wel weggaan. Een gedeelte van deze ‘te strakke’ paarden zal volgend jaar nog zonder het lichaam, of met te weinig lichaam, springen. Maar zeker de helft zal wèl leren in de boog te springen doordat ze zich meer durven los te laten”. Arjen legt uit: “Voor een ideaal beeld wil je graag zien dat tijdens de sprong de schoft omhoog komt. Als we het hebben over ‘te strak’, dan blijft die te laag. Dan kan de manier waarop het paard de benen gebruikt nog wel prima zijn, maar je moet ook die bascule hebben”.

Hoe beoordeelt de jury paarden die een metertje extra ruimte hebben boven de sprong? Menze: “Ik zie dat liever niet, het is vaak angst. Het paard moet wel van het hout komen, maar niet extreem. En mooi ontspannen zijn door het lichaam, dat vind ik het fijnste om te zien”. 

Waren er paarden bij waarvan de heren dachten: Had ik die zelf maar op stal? Arjen: “Ik kon er hier vandaag wel twintig uitzoeken”. “Daar word je blij van”, beaamt Mense. Arjen:”Iets wat goed is, is mooi om naar te kijken”. Hebben de heren vandaag een bod uitgebracht? Arjen lacht: “Nee, we hebben nog wel wat op stal”.  

Hoe schatten de beide juryleden de toekomst van de deelnemende paarden in? Mense: “De beste twintig, dertig, zijn er zo uit. En de anderen die blijven heel lang lopen. Die gaan ook wel naar een andere ruiter toe, maar daar is niet een heel grote carrière voor weggelegd”.

Waar gaat dit grote aanbod van getalenteerde jonge paarden naar toe? Arjen: “Er gaat heel veel naar het buitenland. De export van paarden is  wat ’t geld betreft groter dan de export van bloembollen en bloemen”. Misschien kunnen er voorlopig er maar beter geen paarden naar Engeland verkocht worden? Arjen: “Dat weet je niet, die pond kan wel weer bijtrekken. En in elk land lopen mensen rond die zoveel geld hebben dat ze het toch niet op krijgen”. Lachend vervolgt hij: “Ik ken er helaas niet genoeg”.

De volgende wedstrijd wil Arjen weer komen kijken en de finale wil hij zeker niet missen. Over de wijze van jureren zegt hij: “Ik hoop dat men vindt dat we de paarden op de goede volgorde hadden staan vandaag, ook al liepen de punten niet ver uiteen”. Is hij er zelf van overtuigd dat ze het goed gedaan hebben? Arjen: “Jazeker, anders hadden we het anders gedaan”. Mense heeft nu vier verschillende collega’s naast zich gehad, met wie hij het elke keer snel eens kon zijn. Kijken paardenmensen met dezelfde blik? Mense: “Ja, blijkbaar. We komen ook ongeveer uit dezelfde lichting. We hebben alles heel gemakkelijk en vooral heel plezierig kunnen beoordelen”.

 

                                                                                                            Tekst en foto: Amanda Velt

 

 

admin